HREA HREA viert 10-jarig bestaan
Over HREA | E-Learning
Studiehuis Leermiddelen Netwerken
Europees systeem van bescherming en promotie van mensenrechten

Inleiding
Raad van Europa
Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)
Europese Unie
Materiaal voor actievoeren, educatie en opleiding
Andere hulpmiddelen

 

 

Inleiding

Het Europees continent leed erg onder de verwoestingen van de tweede wereldoorlog. Om vernieuwde inspanningen te leveren om de vrede te bewaren en om samenwerking met elkaar na het einde van de oorlog te bevorderen hebben politieke leiders uit deze regio drie organisaties opgericht: de Raad van Europa, de Europese Unie (voorheen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) en, later, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (voorheen de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa). Deze organisaties hebben de Koude Oorlog en de val van het communisme overleefd, en blijven tot op vandaag dienen als forums voor dialoog en uitwisseling binnen het Europese continent.

Ook al werden deze organisaties gesticht om in Europa vrede en stabiliteit te brengen, elk van hen werd opgericht met een verschillend doel:

  • De Raad van Europa promoot de rechtsstaat, mensenrechten en democratie.
  • De Europese Unie werd ontworpen als een instelling om handel en economische stabiliteit voor haar leden te bevorderen.
  • De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) werd opgericht om vrede en militaire veiligheid binnen Europa te behouden.

Heden ten dage zijn deze organisaties ertoe gekomen veel overlappende terreinen te bestrijken, die allemaal tot op zekere hoogte met mensenrechten te maken hebben, al blijft de Raad van Europa daar het meest van al mee bezig.

 

[^ Naar boven]

 

Raad van Europa

Geschiedenis
Belangrijkste instellingen
Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen

Geschiedenis

Het Verdrag van Londen stelde in 1949 de Raad van Europa in, gegrondvest op de principes van pluralistische democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. Om toe te treden tot de RvE moet een staat aantonen dat ze de rechtsstaat respecteert én de rechten van de mens.
Daar bovenop draagt de Raad van Europa zorg voor het promoten van de Europese cultuur en diversiteit, het consolideren en in stand houden van democratische stabiliteit, en het bevorderen van economische sterkte.

Staten die tot de RvE toetreden behouden hun individuele soevereiniteit en politieke identiteit. Zij moeten echter hun verplichtingen nakomen ten gevolge van de verdragen die zij op het hoofdkwartier van de RvE in het Palais de l'Europe in Straatsburg ondertekend hebben. De officiële talen van de instelling zijn Engels en Frans, al gebruikt de Parlementaire Assemblee ook Duits, Italiaans en Russisch als werktalen. De Raad heeft 45 lidstaten, met in het totaal meer dan 875 miljoen inwoners, en treedt in dialoog met meer dan 400 niet-gouvernementele organisaties met consultatieve status.

Tien leden vervoegden de RvE van bij de start in 1949: België, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Griekenland en Turkije traden toe in 1949. IJsland en Duitsland het jaar daarop. Oostenrijk werd lid in 1956, Cyprus in 1961, Zwitserland in 1963, Malta in 1965, Portugal in 1976, Spanje in 1977, Liechtenstein in 1978, San Marino 10 jaar later, in 1988, Finland in 1989 en, tenslotte, Andorra in 1994.

Na de val van de communistische regimes in 1989 werden verschillende landen uit Centraal en Oost-Europa lid van de RvE. Hongarije trad toe in 1990, Polen in 1981, Bulgarije in 1992; en Estland, Litouwen, Slovenië, de Tsjechische Republiek, Slowakije en Roemenië traden allen in 1993 toe. Letland, Albanië, Moldavië, Oekraïne en de Voormalige Republiek Macedonië werden in 1995 lid, terwijl Rusland en Kroatië het jaar daarop toetraden. De laatst toegetreden leden van de RvE zijn Georgië (1999), Armenië en Azerbeidzjan (2001), Bosnië en Herzegovina (2002), en Servië en Montenegro (2003).

De RvE kende aan verschillende staten de status van 'waarnemer" toe, waaronder Canada, de Heilige Stoel (het Vaticaan), Japan, Mexico en de Verenigde Staten.

Belangrijkste instellingen

De RvE is opgebouwd uit verschillende instellingen:

De Raad van Ministers is het belangrijkste besluitvormend orgaan van de RvE. Hij is samengesteld uit de Ministers van Buitenlandse Zaken van alle lidstaten.

De Parlementaire Vergadering is een beraadslagend orgaan dat is samengesteld uit 313 leden en 313 plaatsvervangers die door nationale parlementen worden aangeduid.

Het Congres van Plaatselijke en Regionale Autoriteiten van Europa is een raadgevend orgaan met plaatselijke en regionale afgevaardigden. Het bestaat uit een Kamer van Plaatselijke Autoriteiten en een Kamer van Regio’s.

De Secretaris Generaal van de RvE leidt en coördineert de activiteiten van de organisatie. De Secretaris wordt aangesteld voor een periode van vijf jaar.


Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen

De RvE heeft veel inspanningen gedaan om mensenrechten te promoten, en blijft dit doen.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (1950)

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, bekend onder de naam "Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens“ (EVRM), was het eerste wettelijk bindend mensenrechtenverdrag met afdwingmechanismen. Het was geïnspireerd door de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties (1948), werd in Rome op 4 november 1950 ondertekend en trad in werking op 3 december 1953. Enkel lidstaten van de RvE kunnen partij worden bij het EVRM.

De preambule van het EVRM voorziet in “de handhaving van en de verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden”, die “de grondslag vormen voor gerechtigheid en vrede in de wereld en welker handhaving vooral steunt, enerzijds op een waarlijk democratische regeringsvorm, anderzijds op het gemeenschappelijk begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de rechten van de mens waarvan die vrijheden afhankelijk zijn.“

Het verdrag handelt hoofdzakelijk over burgerlijke en politieke rechten, die in de artikelen 1 tot 18 kunnen teruggevonden worden. Artikelen 19-51 stippelen de werkingsmechanismen uit van het Europees Hof en de Commissie, terwijl Protocol 1, 4, 6, 7 en 12 bijkomende rechten inhouden. Het recht op het individueel indienen van een klacht verplicht de staat de bevoegdheid van het Hof te aanvaarden om vonnissen te vellen over aangelegenheden binnenin die staat.

Internationale wettelijke instrumenten zoals dit nemen de vorm aan van een verdrag (soms ook overeenkomst, conventie of protocol genoemd), dat bindend kan zijn ten aanzien van de partijen die dit afsluiten. Als de onderhandelingen afgesloten zijn wordt de tekst van het verdrag als authentiek en definitief beschouwd, en wordt hij daartoe ondertekend door afgevaardigden van de staten. Er zijn verschillende manieren waarop een staat uitdrukt dat het ermee akkoord gaat door een verdrag gebonden te zijn. De meest gebruikelijke is de ratificatie of de toetreding. Een nieuw verdrag wordt ‘geratificeerd’ door de staten die er onderhandelingen over hebben gevoerd. Een staat die niet betrokken was bij deze onderhandelingen kan in een later stadium ‘toetreden’ tot het verdrag. Het verdrag ‘wordt van kracht’ op het ogenblik dat een vooraf bepaald aantal staten het hebben geratificeerd of ertoe zijn toegetreden.

Europees Hof van de Rechten van de Mens

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens werd op 3 september 1953 door het EVRM opgericht. Gevestigd in Straatsburg, heeft het Hof jurisdictie over de landen van de Raad van Europa die ervoor hebben gekozen de (facultatieve) jurisdictie ervan te aanvaarden. Eens dit het geval is zijn alle uitspraken van het Hof betreffende het land bindend. De rechters van het Hof worden verkozen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

De originele structuur van het Hof en het mechanisme voor het behandelen van de zaken voorzag in een two-tier systeem van bescherming van rechten, die de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (nu overbodig) zowel als het Hof zelf omvatte. De dichotomie tussen de twee instellingen werkte in het begin goed, gezien het Hof slechts een klein aantal zaken te behandelen kreeg. Dit aantal zaken dat het hof te behandelen kreeg steeg van 16 tussen 1960 en 1975, tot 119 in het jaar 1997 alleen al. Op 1 november 1998 werd Protocol 11 van het EVRM van kracht, dat de Commissie voor de Rechten van de Mens afschafte en een nieuw Europees Hof voor de Rechten van de Mens instelde.

Het Hof aanvaardt de indiening van verzoekschriften betreffende gevallen van mensenrechtenschendingen vanwege individuen zowel als vanwege staten. Het gebeurt echter zelden dat een staat klachten indient tegen een andere staat, tenzij de schending ernstig is. Opdat een klacht aanvaard kan worden door het Hof moeten alle wettelijke remedies die voor de indiener van de klacht in eigen land ter beschikking staan zijn uitgeput.
Daar bovenop:

  • Een niet-anonieme indiener van een verzoekschrift dient zijn/haar zaak in te dienen bij het hof binnen de zes maanden na de finale beslissing erover in eigen land.
  • Het moet gaan over een schending van een waarborg die ingeschreven is in het Europees Verdrag.
  • De indiener van het verzoekschrift moet een ‘slachtoffer’ zijn. (Er zijn echter bepalingen die specificeren dat men niet rechtstreeks vervolgd moet zijn om als slachtoffer beschouwd te worden.)
  • Indieners van een verzoekschrift mogen de hoofdzaak van een eerder verzoekschrift niet herhalen.

Het Hof houdt een publieke hoorzitting om te bepalen of er een schending van het Verdrag heeft plaatsgegrepen. Het Hof houdt normaal zitting als een Kamer met negen rechters (een verhoging tegenover het oorspronkelijke aantal van zeven), waarvan één van het land in kwestie afkomstig is, doch in zeldzame gevallen kan een Grote Kamer zetelen die uit 21 (voorheen 17) rechters bestaat.

Als het verzoekschrift ontvankelijk is verklaard, probeert het Hof een minnelijke schikking tot stand te doen komen, die kan variëren van een wijziging van de wet(ten) tot en met schadevergoeding.

Tegen uitspraken van een Kamer kan, totdat zij na drie maanden definitief worden, in beroep worden gegaan bij de Grote Kamer; uitspraken van de Grote Kamer zijn definitief. Alle uitspraken zijn bindend onder internationaal recht, en kunnen afgeleverd worden bij de rechtszitting of schriftelijk. Eens het Hof een zaak als een schending beschouwt worden staten verplicht gelijkaardige schendingen in de toekomst te voorkomen. Aan slachtoffers kan ‘rechtvaardige genoegdoening’ verleend worden, inbegrepen betaling van een schadevergoeding door de staat die in gebreke werd gesteld.

Het Comité van Ministers van de Raad van Europa houdt toezicht op de uitspraken van het Hof, om er zeker van te zijn dat schadeloosstelling werd betaald en om de slachtoffers bij te staan door het heropenen van de rechtsgang, door het opheffen van verboden, door het verwijderen uit een politiedossier, door toekenning van een verblijfsvergunning. Het Comité van Ministers ziet er ook op toe dat in opvolging van een uitspraak de vereiste aanpassingen worden aangebracht, zoals aanpassingen van de wetgeving, jurisprudentie, het bouwen van gevangenissen of de aanstelling van nieuwe rechters.

Europese Commissie voor de Rechten van de Mens

Al raakte de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in 1998, als gevolg van het herstructurering van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in onbruik, toch heeft het tussen 1953 en 1998 een belangrijke rol gehad in het bijstaan van het Hof voor de Rechten van de Mens. De leden van de Commissie werden door het Comité van Ministers verkozen, en zouden dienst doen gedurende zes jaar (tijdens dewelke zij geacht werden onafhankelijk te handelen, zonder aanhankelijkheid aan eender welke staat). Hun rol was na te gaan of een verzoekschrift ontvankelijk was voor het Hof. Indien dit het geval was zou de Commissie het verzoekschrift onderzoeken om vast te stellen welke de feiten waren in de zaak en om partijen te helpen de zaak in der mine te regelen. Indien een regeling in der minne niet mogelijk was zou de Commissie een verslag opstellen over de vastgestelde feiten, samen met een beoordeling of een schending al dan niet had plaatsgegrepen. Een Comité van drie personen bepaalde de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Moeilijke beslissingen echter werden door een Kamer van zeven mensen behandeld.

Europees Sociaal Handvest

Het Europees Sociaal Handvest, aangenomen in 1961 en waarop door het Europees Comité van Sociale Rechten wordt toegezien, waarborgt economische, sociale en culturele rechten, zoals het recht op huisvesting, gezondheid, onderwijs, werk, sociale bescherming, vrijheid van beweging van personen, en niet-discriminatie. Een nieuwe versie van het Handvest (herzien in 1966) werd in 1999 van kracht.

Europees Comité van Sociale Rechten

Het Europees Comité van Sociale Rechten (ECSR) is samengesteld uit onafhankelijke deskundigen die gedurende een termijn van zes jaar dienst doen, die éénmaal hernieuwbaar is. Staten moeten jaarlijkse verslagen indienen over hoe zij de bepalingen van het Handvest hebben opgevolgd. Het Comité bestudeert deze en publiceert dan haar beslissingen die als ‘Conclusies’ bekend staan. Als een staat een Conclusie over een schending negeert, kan het Comité van Ministers de staat hierop aanspreken, en vragen het probleem recht te zetten, zij het door het wijzigen van een wet of door het veranderen van een praktijk (of beide).

Een Aanvullend Protocol aan het Europees Sociaal Handvest werd in 1998 van kracht, en voorzag een mogelijkheid voor werknemersgroepen en ngo’s om collectieve klachten in te dienen. Het Comité oordeelt of de collectieve klachten ontvankelijk zijn. Deze moeten omvatten:
1. details betreffende degene (organisatie en/of individu) die de klacht indient;
2. de staat tegen dewelke de klacht wordt ingediend;
3. het aspect van het Handvest waarvan wordt aangevoerd dat het geschonden werd;
4. de huidige schending.

In een volgende stap is er een briefwisseling tussen de landen en in sommige gevallen een publieke hoorzitting. Daarop neemt het Comité een beslissing betreffende de zaak en bezorgt die aan de partijen. Vier maanden later wordt ze gepubliceerd. Tot slot keurt de Commissie een resolutie goed betreffende het onderwerp en kan zij aanbevelingen publiceren.

Europees Verdrag ter Voorkoming van Foltering en van Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing

Het Europees Verdrag ter Voorkoming van Foltering werd in 1987 goedgekeurd, en werd in 1989 van kracht. Het stelde het Europees Comité ter Voorkoming van Foltering in, om op het verdrag toezicht te houden. In 2003 hadden 44 leden van de Raad van Europa het verdrag geratificeerd. Protocol nummer 1, dat van kracht werd in 2002, laat toe dat eender welke lidstaat die geen lid is van de Raad van Europa partij te worden bij het verdrag.

Comité ter Voorkoming van Foltering

Het Comité ter Voorkoming van Foltering (CPT) houdt toezicht op het Europees Verdrag ter Voorkoming van Foltering en van Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing. Het is samengesteld uit onafhankelijke, onpartijdige experts die voor termijnen van vier jaar zijn aangesteld en tweemaal kunnen herverkozen worden; er is één lid per deelnemende staat.

Volgens de tekst van haar missie zal het Comité, “door middel van bezoeken de behandeling onderzoeken van personen die van hun vrijheid werden beroofd, met het oog op de versterking, indien nodig, van de bescherming van zulke personen tegen foltering of tegen onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.” Het CPT bezoekt detentie-inrichtingen zoals gevangenissen, detentiecentra, politiekantoren en psychiatrische instellingen en bejaardeninstellingen, om de behandeling na te gaan van wie er verblijft. Dit gebeurt met afvaardigingen van twee of drie personen.

Het Comité kan een onaangekondigd bezoek afleggen aan een detentiecentrum. In dit geval moet het Comité dit vooraf meedelen aan het land en aan de instelling, maar mag het onmiddellijk daarna de inspectie verrichten. Aan het Comité wordt de garantie gegeven dat het er vrije toegang toe heeft, dat het zich binnenin vrij mag bewegen, en dat het in staat gesteld wordt privaat gesprekken te hebben met degenen die er worden vastgehouden alsook met eender andere persoon die relevante informatie kan verschaffen, zoals ngo’s die zich om mensenrechten bekommeren.

Het CPT schrijft een verslag over de landen dat het bezoekt. In de verslagen doet het CPT aanbevelingen om te verzekeren dat foltering en mishandeling voorkomen worden. De regeringen moeten dan een antwoord geven op de aanbevelingen. In zeldzame gevallen kan het CPT een publieke verklaring afleggen, in het geval dat een staat faalt in het geven van gevolg aan de aanbevelingen van het CPT. In het algemeen echter blijven de aanbevelingen vertrouwelijk.

Het Comité publiceert “The CPT Standards”, dat standaarden instelt voor de behandeling van gedetineerden.

Kaderverdrag voor de Bescherming van de Nationale Minderheden

Het Kaderverdrag voor de Bescherming van de Nationale Minderheden, het eerste bindende internationaal verdrag dat specifiek aan minderheden bescherming verschaft, werd in 1995 goedgekeurd en werd van kracht in Februari 1998. Het fundament voor dit verdrag was in een eerder verdrag gelegd, namelijk het Europees Handvest voor Regionale en Minderheidstalen, dat in 1992 werd aangenomen.

De preambule van het Kaderverdrag bespreekt de noodzaak om nationale minderheden te beschermen, dit in de context van de desintegratie en vijandigheid van de Centraal en Oost-Europese staten en van het voormalig Oosters blok. De preambule stelt: “Een pluralistische en echt democratische samenleving zou niet alleen de etnische, culturele, taalkundige en religieuze identiteit van elke persoon die tot een nationale minderheid behoort moeten respecteren, maar ook de aangepaste voorwaarden moeten scheppen die hen in staat stellen deze identiteit uit te drukken, te bewaren en te ontwikkelen.”
(Het Kaderverdrag definieert niet wat een nationale minderheid is.)

Op het Kaderverdrag wordt toezicht uitgeoefend door het Comité van Ministers, dat bijgestaan wordt door een adviescommissie van onafhankelijke deskundigen.

Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI)

De Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid werd in 1993 opgezet om racisme (de overtuiging dat sommige rassen inferieur zijn), xenofobie (angst voor vreemdelingen), antisemitisme (vooroordeel tegenover Joden), en andere vormen van intolerantie te bestrijden. De Commissie heeft één lid per lidstaat van de Raad van Europa. De leden ervan worden aangeduid door de regeringen, al functioneren ze onafhankelijk ervan.

De Commissie evalueert de efficiëntie van bestaande maatregelen tegen onverdraagzaamheid, van beleidsmaatregelen tot wetgeving op nationaal, regionaal of nationaal vlak. Met de hulp van buitenstaanders, deskundigen en ngo’s stelt de ECRI in een jaarlijks verslag aan het Comité van Ministers op elk van deze terreinen acties voor die kunnen ondernomen worden.

Commissaris voor de Mensenrechten

De post van Commissaris voor de Mensenrechten werd overeengekomen op de top van de staats- en regeringsleiders van oktober 1997, en werd in april 1999 effectief ingesteld toen het Comité van Ministers die goedkeurde.

De Parlementaire Vergadering verkiest de Commissaris met een gewone meerderheid van stemmen. Kandidaten voor de post worden geselecteerd uit drie kandidaturen die door het Comité van Ministers worden voorgelegd. Een kandidaat moet een burger zijn van één van de lidstaten van de Raad van Europa, met deskundigheid in het domein van de mensenrechten. Een termijn duurt zes jaar. De eerste Commissaris voor de Mensenrechten was Mr. Alvaro Gil-Robles uit Spanje. Hij werd in 1999 verkozen.

De Commissaris heeft drie hoofdtaken:

1. mensenrechteneducatie en bewustzijn van mensenrechten bevorderen;
2. aspecten van wetten aanduiden die mensenrechten niet ten volle erkennen en mensenrechtenwetten aanduiden die niet ten volle worden toegepast;
3. respect voor mensenrechten en het genot van mensenrechten in de lidstaten van de Raad van Europa promoten.

De Commissaris behandelt geen individuele klachten inzake mensenrechtenschendingen.

 

[^ Naar boven]

 

Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)

Inleiding
Belangrijkste instellingen
Structurele vergaderingen
Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen

Inleiding

De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa is de grootste regionale veiligheidsinstelling in de wereld. De OVSE, met hoofdkwartier in Wenen (Oostenrijk), was vroeger gekend als de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE). De naam werd in 1994 veranderd in OVSE. Het CVSE zelf werd in 1975 opgericht door de Slotakte van Helsinki.
De OVSE houdt zich bezig met waarschuwing voor conflicten, conflictpreventie, crisismanagement en wederopbouw na conflicten. Taken voor de OVSE zijn onder meer:

  • wapenbeheersing;
  • preventieve diplomatie;
  • vertrouwenwekkende en veiligheidsopbouwende maatregelen;
  • promotie van mensenrechten;
  • democratisering;
  • toezicht houden op verkiezingen;
  • waarborgen van economische veiligheid en veiligheid van het leefmilieu.

Heden ten dage zijn alle Europese naties lid van de OVSE, maar ook Canada en de Verenigde Staten (die beide vanaf het eerste begin lid waren), en landen uit Centraal Azië. Alle leden hebben dezelfde status, en beslissingen worden bij consensus genomen. De 55 lidstaten zijn: Albanië, Andorra, Armenië, Azerbeidzjan, België, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Georgië, Griekenland, de Heilige Stoel, Hongarije, IJsland, Ierland, Italië, Kazakstan, Kirgizië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Moldavië, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oekraïne, Oezbekistan, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, de Russische Federatie, San Marino, Servië en Montenegro, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tadzjikistan, Tsjechië, Turkije, Turkmenistan, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Wit-Rusland, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Zweden en Zwitserland.

Belangrijkste instellingen

Verschillende instellingen vormen samen de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa:

De Permanente Raad is het belangrijkste besluitvormend orgaan van de OVSE. Deze komt wekelijks in Wenen samen om zaken te bespreken en besluiten te formuleren.

De Dienstdoend Voorzitter is de minister van Buitenlandse Zaken van een OVSE lidstaat. De Voorzitter wordt jaarlijks geselecteerd, en is in naam van de lidstaten verantwoordelijk voor uitvoerende acties. De ministeriële trojka en de Secretaris-Generaal staan de voorzitter bij.

De Parlementaire Vergadering bestaat uit 300 parlementsleden van de lidstaten. Haar doel is de OVSE agenda en de OVSE in het algemeen in de nationale parlementen te promoten.

Het Secretariaat verschaft organisatorische ondersteuning aan de OVSE. Het Secretariaat staat onder de supervisie van de Secretaris-Generaal. De verantwoordelijkheden van het Secretariaat omvatten onder meer: het ondersteunen van veldactiviteiten, het onderhouden van contacten met ngo’s, het coördineren van economische activiteiten en activiteiten op het vlak van het leefmilieu, diensten op het vlak van administratie, financiën en personeel, het coördineren van militaire evenementen, diensten voor conferenties en op het vlak van taal, informatie aan het publiek, technologie en pers.

Het Hof voor Conciliatie en Arbitrage regelt geschillen tussen lidstaten die partij zijn bij het Verdrag voor Conciliatie en Arbitrage binnen de OVSE.

Het orgaan Wapenbeheersing en Vertrouwenwekkende en Veiligheidsbevorderende Maatregelen wordt geleid door personen die daartoe persoonlijk worden aangesteld door de Dienstdoend Voorzitter, en ziet uit over mogelijke militaire bedreigingen ten aanzien van lidstaten.

Structurele Vergaderingen

De vergaderingen van de OVSE hebben plaats als volgt:

Het Forum voor Veiligheidssamenwerking komt wekelijks in Wenen samen om militaire aspecten van veiligheid in de OVSE regio te bespreken, daarbij het accent leggend op vertrouwenwekkende en veiligheidsbevorderende maatregelen.

Het Senior Council/Economic Forum komt eens per jaar bijeen in Praag om er kwesties betreffende leefmilieu en economie, waarmee de OVSE wordt geconfronteerd, te bespreken.

De vergadering van de staats- en regeringshoofden van de lidstaten van de OVSE heeft periodiek plaats op een Top. Een Top wordt steeds voorafgegaan door een toetsingsconferentie, waar de OVSE verbintenissen en hun implementatie worden getoetst, en waar documenten voor de Top worden geformuleerd.

De Ministerraad is de vergadering van de Ministers van Buitenlandse zaken van de OVSE lidstaten. Deze bijeenkomst grijpt plaats in jaren waarin en geen TOP plaatsvindt.


Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen

Zoals de Raad van Europa werkt de OVSE ook aan de bevordering van mensenrechten:

Slotakte van Helsinki

De Slotakte van Helsinki, die mensenrechtenbekommernissen met veiligheidskwesties verbond, richtte op wat momenteel de OVSE heet. Het werd in 1975 door 33 staten ondertekend, waaronder Canada, de Sovjetunie en de Verenigde Staten. Sinds het einde van de Koude Oorlog traden meer dan vijftig staten toe tot het Slotakkoord. Omdat het Helsinki Slotakkoord geen echt verdrag is, is het ook niet bindend voor de staten, en het niet naleven ervan heeft politieke, maar geen juridische gevolgen.

Twee van de tien Leidende Principes van het Helsinki Slotakkoord betreffen mensenrechten. Het eerste, Principe VII, roept op tot “respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of geloof.”

De laatste paragraaf van Principe VII bevestigt dat OVSE lidstaten in overeenstemming moeten handelen met het VN Handvest (1945) alsook met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). Het stelt: “Op het domein van mensenrechten en fundamentele vrijheden zullen de deelnemende staten in overeenstemming handelen met de principes van het Handvest van de Verenigde Naties en met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Ze zullen ook hun verplichtingen nakomen die voortvloeien uit de internationale verklaringen en overeenkomsten op dit terrein, inbegrepen onder meer de internationale mensenrechtenverdragen door dewelke ze mogelijks gebonden zijn.”

Principe VIII beklemtoont the “gelijke rechten en zelfbeschikking van volkeren”.

Mechanisme van Wenen

Het mechanisme van Wenen, dat in 1989 werd ingesteld, richtte een regelend orgaan op dat bekend staat als het Human Dimension Mechanism, dat mensenrechten bevordert door onderhandeling, bemiddeling en het verzamelen van feitenmateriaal. Bilaterale onderhandelaars, OVSE deskundigen en verslaggevers sturen het Human Dimension Mechanism, daarbij ondersteund door het OVSE Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR).

Een onderzoek start met een beschuldiging van één staat over een andere, gevolgd door een diplomatieke uitwisseling binnen een beperkt tijdsverloop. Elke staat mag een andere beschuldigen of informatie naar voren brengen over een geval. Als de diplomatieke uitwisseling de zaak niet eenvoudig krijgt opgelost kan het Human Dimension Mechanism het aan alle lidstaten voorstellen en het aankaarten in een OVSE toetsingsconferentie of een ‘human dimension conference’.

Slotdocument van Kopenhagen

Het Slotdocument van Kopenhagen, in 1990 goedgekeurd, voegt drie clausules toe aan het Mechanisme van Wenen:

1. Het vereist dat staten een verzoek om informatie vanwege het Mechanisme van Wenen binnen de vier weken schriftelijk moeten beantwoorden.
2. Het stipuleert dat bilaterale ontmoetingen tussen de twee landen in kwestie zo snel mogelijk moeten plaatsgrijpen, en binnen de drie weken na het verzoek.
3. Het stelt dat bilaterale ontmoetingen enkel het indertijd overeengekomen onderwerp zullen behandelen.

Het Moskou Mechanisme

Het Moskou mechanisme werd in 1991 ingesteld. Zoals het Mechanisme van Wenen is het een instrument voor bescherming van de ‘human dimension’. Terwijl het Mechanisme van Wenen onderzoeken naar de mensenrechtentoestand van staten toelaat, maakt het Moscow Mechanism het mogelijk dat onafhankelijke deskundigen human dimension conflicten in lidstaten oplossen. Onder het Moscow Mechanism kan in extreme omstandigheden een onderzoek ingesteld worden naar human dimension kwesties zonder de toestemming van de staat in kwestie. De deskundigen worden aangesteld door OVSE lidstaten.

Tot op heden werd het Moscow Mechanism slechts vijfmaal benut:

1. In 1992 werd het door 12 staten van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten benut om de beschuldigingen van aanvallen op burgers in Kroatië en Bosnië-Herzegovina te onderzoeken.
2. In 1992 werd het door Estland gebruikt om de Estse wetgeving te bestuderen en ze te vergelijken met de bestaande mensenrechtennormen.
3. In 1993 maakte Moldavië ervan gebruik om te onderzoeken hoe haar wetgeving omging met de rechten van minderheden en met interetnische relaties.
4. Alweer in 1993 maakte het OVSE Committee of Senior Officials voor Servië-Montenegro er gebruik van om mensenrechtenschendingen te onderzoeken, een missie die niet voltooid werd bij gebrek aan medewerking van de Voormalige Republiek Joegoslavië.
5. En nog niet zolang geleden, in 2002-2003, maakten 10 OVSE lidstaten ervan gebruik tegenover Turkmenistan, meer bepaald met betrekking tot onderzoeken rond een gerapporteerde aanval op de President en omtrent de manier waarop dat onderzoek gevoerd werd.

Office for Democratic Institutions and Human Rights

Het Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR) is het princiepsorgaan binnen de OVSE voor de promotie van mensenrechten binnen de OVSE. Het is gevestigd in Warschau (Polen) en werd in 1990 opgericht als het Office for Free Elections; in 1992 werd de naam ervan gewijzigd in de huidige. Vrijheid van godsdienst en geloof, anti-terrorisme, en de rechten die opgesomd staan in het Moscow Mechanism, zijn enkele van de prioritaire terreinen voor ODIHR. De ODIHR bevordert ook:

  • de rechtsstaat;
  • voorkoming van foltering;
  • vrijheid van beweging;
  • vrijheid voor ngo’s
  • gelijkheid van de geslachten;
  • bestrijden van mensenhandel en drugshandel;
  • verspreiding van democratie doorheen Zuidoost-Europa.

Het Contact Point voor Roma en Sinti Issues (CPRSI) valt onder de bevoegdheid van ODIHR. Het werd in 1994 in Warschau opgericht. Het Contact Point helpt de Roma en Sinti (‘zigeuner’) bevolkingen van Europa, die in het totaal met ongeveer 15 miljoen zijn, te integreren in de samenlevingen waarin zij leven, terwijl zij hun eigen identiteit bewaren. De belangrijkste uitdagingen voor het CPRSI zijn heden ten dage:

  • de deelname aan het politieke leven bevorderen;
  • discriminatie en rassengeweld verminderen;
  • onderwijs bevorderen;
  • leefomstandigheden verbeteren.

Daarbovenop doet de CPRSI nog het volgende:

  • leveren van beleidsadviezen aan regeringen;
  • verschaffen van informatie aan wie erom vraagt;
  • de dialoog tussen OVSE instellingen, Roma en Sinti groepen en nationale regeringen bevorderen.

Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden

De Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden (HCNM) werd in 1992, na het einde van de Koude Oorlog en het uiteenvallen van de Sovjetunie (USSR), opgericht op een ogenblik dat er een grote nood was inzake de bescherming van etnische minderheden. De HCNM richt zich vooral op minderheidskwesties voordat deze tot ernstige problemen uitgroeien.

De Commissaris moet onafhankelijk van staten optreden en onpartijdig blijven. De HCNM formuleert aanbevelingen aan regeringen en bespreekt deze met de Permanente Raad, het belangrijkste besluitvormend orgaan van de OVSE, van dewelke de Commissaris vooral politieke steun krijgt. De Commissaris bewaart de vertrouwelijkheid in de contacten met lidstaten, maar beslist welke informatie met de Permanente Raad gedeeld zal worden.
Wat de Commissaris niet kan doen:

  • individuele gevallen behandelen;
  • gevallen behandelen die op nige manier met terrorisme van doen hebben;
  • praten met enige persoon of organisatie die terrorisme of geweld beoefent of publiek vergoelijkt.

De heer Max van der Stoel, voormalig Nederlands Minister van Buitenlandse Zaken, was de eerste Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden (1992-2001). Zijn opvolger is de heer Rolf Ekéus, een Zweeds diplomaat.

Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van de Media

De Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van de Media werd in december 1997 ingesteld om de ‘ernstige problemen aan te pakken die veroorzaakt worden door, onder meer, verhindering van activiteiten van media, en ongunstige werkomstandigheden voor journalisten.” In tegenstelling tot de Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden is de Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van de Media geen bemiddelaar. In de plaats daarvan doet de Vertegenwoordiger dienst als iemand die ijvert voor de naleving van OVSE principes betreffende vrijheid van meningsuiting en van de media.

De Vertegenwoordiger geeft vroegtijdige waarschuwingen over schendingen, terwijl hij zich concentreert op ernstige gevallen van niet-naleving. In geval van niet-naleving neemt de Vertegenwoordiger contact op met de betrokken staat, tracht de feiten van de situatie te onderscheiden, en probeert de kwestie op te lossen. De Vertegenwoordiger beantwoordt zo snel mogelijk de zwaarste schendingen van de vrijheid van de media, inclusief gevaarlijke werkomstandigheden of de onmogelijkheid om vrij verslag uit te brengen.

De Vertegenwoordiger brengt verslag uit over de ondernomen stappen aan de Permanente Raad, en beveelt verdere actie aan waar dit noodzakelijk is. De Afgevaardigde kan evenmin als de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten praten met enige persoon of organisatie die terrorisme of geweld bedrijft of vergoelijkt.

De heer Freimut Duve, Duitsland, werd in 1998 als de eerste Vertegenwoordiger aangesteld. De Vertegenwoordiger is gevestigd in Wenen.

 

[^ Naar boven]

 

Europese Unie

Inleiding
Geschiedenis
Belangrijkste instellingen
Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen
 
Inleiding

De Europese Unie is een unie (groepering) van democratische Europese landen. De lidstaten hebben gemeenschappelijke instellingen opgezet waaraan zij een deel van hun soevereiniteit hebben toevertrouwd zodat op een democratische manier op Europees niveau beslissingen kunnen getroffen worden op specifieke terreinen waarin zij gezamenlijk belang hebben. Beslissingen en handelingen hebben hun basis in EU verdragen, die door alle lidstaten ondertekend werden. Staatshoofden ontmoeten elkaar tenminste tweemaal per jaar op de Europese Raad, om de agenda van de Europese Unie te bepalen.

Alle EU leden hebben, als voorwaarde om tot de EU toe te treden, het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens van de Raad van Europa geratificeerd en de bevoegdheid aanvaard van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Dit betekent bijvoorbeeld dat alle lidstaten de doodstraf hebben afgeschaft vooraleer toe te treden tot de Europese Unie.

Geschiedenis

Zoals andere regionale instellingen in Europa werd de Europese Unie gesticht na de Tweede Wereldoorlog, met het doel verdere vernietiging te voorkomen. Robert Schuman, de toenmalige Franse Minister van Buitenlandse Zaken, suggereerde de oprichting ervan in een toespraak op 9 mei 1950 (datum die nu jaarlijks als Dag van Europa gevierd wordt).

Toen de instelling op 23 juli 1952 werd opgericht waren er slechts zes leden: België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg en Nederland. Ze droeg als naam Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Ze was ontworpen om economische onderwerpen te behandelen. De organisatie werd later, via het Verdrag van Rome (1957) de Europese Economische Gemeenschap (EEG). De naam van de instelling werd tenslotte, via het Verdrag over de Europese Unie (op 7 februari 1992 in Maastricht getekend, en van kracht sinds 1 november 1993), gewijzigd in Europese Unie. Dit verdrag wijzigde de naam van de EEG in Europese Gemeenschap (EG).

Het Verdrag over de Europese Unie (1992) voegde politieke terreinen toe aan de algemene structuur van de EU. Dit wil zeggen dat het de EU heeft uitgebreid van een organisatie die hoofdzakelijk economische en handelskwesties behandelt naar een die eveneens de rechten van burgers omvat. Enkele van deze nieuwe aandachtsgebieden voor de EU zijn:

  • het verzekeren van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid;
  • het scheppen van banen;
  • regionale ontwikkeling;
  • leefmilieukwesties;
  • de gevolgen van globalisering.

De Europese Unie werd ook uitgebreid ten opzichte van de zes oorspronkelijke leden: Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk traden toe in 1973; Griekenland trad toe in 1981; Spanje en Portugal traden beide in 1986 toe; en Oostenrijk, Finland en Zweden zetten deze stap in 1995. In 2004 zal de EU uitbreiden van 15 naar 25 staten, door de toetreding van Cyprus, Tsjechië, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije en Slovenië.

Belangrijkste instellingen

De vijf belangrijkste institutionele organen van de EU zijn: het Europees Parlement, De Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, het Europees Gerechtshof, en de Europese Rekenkamer.

Het Europees Parlement

Het Europees Parlement bestaat uit 626 leden van de huidige 15 lidstaten. Elke vijf jaar worden de leden ervan verkozen door de 374 miljoen burgers van de EU. Het Parlement heeft wetgevende macht en de macht om de definitieve begroting goed te keuren. Het keurt ook de benoeming goed van de Commissarissen van de Europese Commissie en heeft de macht om de Commissie af te keuren.

Raad van de Europese Unie

De Raad van de Europese Unie deelt de wetgevende bevoegdheid en de bevoegdheid over de begroting met het Europees Parlement, en is het belangrijkste besluitvormende orgaan van de EU. De Raad is samengesteld uit afgevaardigden van lidstaten (meestal ministers), verschillend naargelang het onderwerp zoals financiën, onderwijs, telecommunicatie en buitenlandse zaken. De afgevaardigden op de Raad

  • coördineren brede economische beleidslijnen van de lidstaten;
  • maken internationale akkoorden tussen staten en ngo’s;
  • keuren buitenlands en veiligheidsbeleid goed dat door de Europese Raad werd opgezet;
  • neemt maatregelen voor politionele en justitiële samenwerking binnen de EU.

Europese Commissie (EC)

De Europese Commissie, die in Brussel (België) gevestigd is, is de uitvoerende tak van de EU. De Commissie mag ontwerpen van wetgeving opstarten en voorstellen doen aan de Raad en het Parlement. Ze is verantwoordelijk voor de uitvoering van resoluties en beslissingen. De Commissie houdt ook toezicht op de toepassing van de verdragen binnen de EU en op de beslissingen betreffende EU instellingen. De Commissie zorgt ervoor dat alle verdragen rekening houden met de wettelijke EU bepalingen. En verder onderhandelt zij internationale akkoorden, vooral voor handel en samenwerking.

De Voorzitter van de Commissie en de leden van de Commissie worden aangesteld na goedkeuring door het parlement.

Europees Gerechtshof

Het Europees Gerechthof zetelt in Luxemburg. Haar jurisdictie strekt zich uit over de lidstaten, de EU instellingen, het bedrijfsleven en individuen binnen de geografische grenzen van de Europese Unie. Het Europees Gerechtshof zorgt ervoor dat de verdragen van de EC en de EU worden geëerbiedigd en dat de wetten worden nageleefd. Het Gerechtshof houdt een oog op de beslissingen van het Europees Hof van de Rechten van de Mens om richting te geven in haar besluitvorming in mensenrechtenkwesties.

Europese Rekenkamer

De Europese Rekenkamer licht op onafhankelijke manier de verwerving en besteding van de fondsen van de Europese Unie door. De Rekenkamer onderzoekt of financiële operaties correct werden geboekt, uitgevoerd en beheerd, om zuinigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid te verzekeren.


Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen

Handvest van Fundamentele Rechten van de Europese Unie

Een eerste ontwerp van het Handvest van Fundamentele Rechten van de Europese Unie werd in Juni 1999 uitgeschreven met als doel alle rechten te bevatten van de EU burgers, met inbegrip van de rechten uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en die uit het Europees Sociaal Handvest, twee verdragen van de Raad van Europa. Het Handvest werd uitgeschreven door 62 afgevaardigden van EU lidstaten. Als gevolg van onenigheid tussen de lidstaten werd het Handvest niet als verdrag goedgekeurd. Het Europees Parlement en de Commissie hebben echter aanbevolen het op te nemen in het EU Verdrag. Volgens de Preambule van het Handvest heeft het tot doel “de bescherming van de fundamentele rechten te versterken in het licht van veranderingen in de samenleving, sociale vooruitgang en wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, door deze rechten meer zichtbaar te maken in een Handvest.” De rechten die worden gewaarborgd zijn onderverdeeld in zes hoofdstukken: waardigheid, vrijheid, gelijkheid, solidariteit, rechten van burgers, en rechtvaardigheid.

 

[^ Naar boven]

 

Materialen voor activisme, onderwijs en opleiding

Voor activisten

Human Rights and You: A Guide for the States of the Former Soviet Union and Central Europe (door Frederick Quinn, OSCE/ODIHR, Warschau)
Deze gids is bedoeld voor rechters, openbaar aanklagers, politieofficieren, advocaten, niet-gouvernementele organisaties, studenten in de rechten, en de professionele media die willen leren over internationale mensenrechtenstandaarden. Ze omvat richtlijnen om een mensenrechtenklacht in te dienen bij een internationale organisatie.

Human Rights Reference Handbook (door T.R.G. Van Banning, Ministerie van Buitenlandse Zaken)
Uitgebreide handleiding over Europese mechanismen voor bescherming van mensenrechten (EU, OVSE, Raad van Europa). Bevat een adressenlijst van mensenrechtenorganisaties.

Het recht op een eerlijke proces: een gids over de implementatie van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Nuala Mole en Catharina Harby, Raad van Europa)
Praktische gids over hoe het Europees Hof van de Rechten van de Mens het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het EVRM) geïnterpreteerd heeft. Het zal voor hun dagelijkse praktijk in het bijzonder nuttig zijn voor rechters en anderen met een juridisch beroep.

Het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven: een gids over de implementatie van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (door Ursula Kilkelly, Raad van Europa)
Dit is een praktische gids over hoe het Europees Hof van de Rechten van de Mens het recht op een privé-leven en op gezinsleven (artikel 8 van het EVRM stelt dat eenieder het recht heeft op zijn of haar privacy in het privé-leven, het gezinsleven, de thuis en de briefwisseling) heeft geïnterpreteerd.

Het recht op vrijheid en veiligheid: een gids over de implementatie van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Monica Macovei, Raad van Europa, 2003)
Praktische gids over hoe het Europees Hof van de Rechten van de Mens het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5 van het EVRM) geïnterpreteerd heeft. Het zal voor hun dagelijkse praktijk in het bijzonder nuttig zijn voor rechters en anderen met een juridisch beroep.

Training Materials for Lawyers and NGOs on the European Convention on Human Rights and the rights of people with mental health problems and/or developmental disabilities (Mental Disability Advocacy Center)
Het doel van deze handleiding is een eerste zicht te verschaffen op de mensenrechten en de burgerrechten van personen met een geestesziekte of met mentale ontwikkelingsstoornissen. Er worden definities van geestesziektes en mentale ontwikkelingsstoornissen in gegeven, alsook relevante artikelen van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, uitspraken van het Europees Hof van de Rechten van de Mens en ook van het Comité voor de Voorkoming van Foltering van de Raad van Europa.

Voor leerkrachten

Methodenhandbook bij het Mensenrechtenalbum (door Jana Kviecinska, Milan Simecka Foundation)
Dit is een methodologisch boekje dat hoort bij het ‘Human Rights Album. An illustrated guide on the European Convention on Human Rights” van de Raad van Europa. Het boekje is het resultaat van het "Human Rights at School" project van de Milan Simecka Foundation in Slowakije. Het bevat lessenplannen rond het EVRM en rond de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en is zeen waardevol hulpmiddel voor leerkrachten.

Mensenrechteneducatie: Bibliografie van de Documenten van de Raad van Europa (Raad van Europa)
Deze bibliografie bevat alle publicaties over mensenrechten en over mensenrechteneducatie die de Raad van Europa tussen 1985 en 1995 publiceerde.

Inter-cultureel Onderwijs: Bibliografie van de Documenten van de Raad van Europa (Raad van Europa)
Dit is een geannoteerde bibliografie die publicaties van de Raad van Europa over interculturele educatie bevat (belangrijkste verdragen en verklaringen omtrent de bescherming van minderheden).

Teaching Guide to the European Convention on Human Rights (World Association for the School as an Instrument of Peace)
Deze gids werd ontwikkeld voor leerkrachten in Bosnië-Herzegovina om hen bij te staan in het werken rond mensenrechten op school, in het bijzonder rond het EVRM. De gids geeft een overzicht van de mechanismen voor de bescherming van mensenrechten en suggereert richtingen voor de invoering van mensenrechteneducatie in klassen en scholen. De gids bevat ook lesactiviteiten.

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens: Startpunten voor Leerkrachten (door Mark Taylor, Raad van Europa)
Deze publicatie wil mensenrechten introduceren in de klas, en doet dit door beginpunten aan te geven en enkele interactieve activiteiten te suggereren. Het werd in de eerste plaats gemaakt voor wie met 14- tot 18-jarige leerlingen werkt. Gemaakt in de vorm van een folder bevat het lespakket 5 basisinformatiebladen over de EVRM en het werk van de Raad van Europa, en 10 bladen met suggesties voor lesactiviteiten voor mensenrechteneducatie, die de nadruk leggen op het leggen van verbanden tussen mensenrechtenstandaarden en het dagelijks leven van leerlingen.

The international basis for intercultural education including anti-racist and human rights education. A selection of articles from relevant documents, adopted by the governments of member states of the United Nations, UNESCO, OSCE and Council of Europe (door Pieter Batelaan en Fons Coomans, red.)
Deze publicatie is onderverdeeld in twee delen. Het eerste behandelt het wettelijk karakter van internationale documenten over interculturele educatie. Het tweede deel bespreekt de implicaties van deze internationale documenten, met inbegrip van de verplichtingen en verantwoordelijkheden van onderwijsautoriteiten, scholen en leerkrachten.

Voor orde/wetshandhavers

Politie praktijk en mensenrechten: Een Europese introductie. Een referentie brochure (door Mark Taylor, Raad van Europa)
Een brochure van 40 pagina’s voor politieofficieren. Deze publicatie werd geschreven om een antwoord te geven aan het gebrek aan ondersteuning voor mensenrechteneducatie van politieofficieren. De brochure toont duidelijk het verband tussen de politiepraktijk en Europese mensenrechtenstandaarden, en dient als een naslagwerk.

Waardigheid bevorderen: Een inventarisatie van materialen over politie en mensenrechten (Raad van Europa)
Dit document werd ontwikkeld door het Politie en Mensenrechten Programma (1997-2000) van de Raad van Europa. Het bestaat uit meer dan 220 boeken, blaadjes en video’s. Het is onderverdeeld in vijf secties: mensenrechtenstandaarden die van toepassing zijn of relevant zijn voor politie en ordehandhavingswerk; politie en mensenrechten in het algemeen; politiewerk in een democratische samenleving behandelt én de omgeving en cultuur van de relaties tussen de politie en het publiek én de omgeving en cultuur van de werkplek; arrestatie, detentie en het indringende van bewaking; inzichten in de positie van kwetsbare groepen.

 

[^ Naar boven]

 

Andere hulpmiddelen

Cursussen over het Europees systeem van mensenrechten

Mensenrechtenorganisaties in Midden- en Oost-Europa

Mensenrechtenorganisaties in West-Europa

 

 

 

back to top
Bookmark and Share
Deze pagina is ook beschikbaar in het:
العربية
Deutsch
English
Español
Français
Italiano
Pусский
HREA Trainings
HREA Publications
Subscribe
Vul uw e-mail adres in en ontvang dagelijks nieuws over mensenrechten wereldwijd.
RSS Feeds
Related e-learning courses

Human Rights in Europe

The European Union and Human Rights

The European System of Human Rights Protection and Promotion

Sleutelbegrippen

Ontvankelijkheid - De vraag of al dan niet een verzoekschrift aan een bepaalde instelling met betrekking tot mensenrechtenschendingen voldoet aan de eisen van die instelling om het verzoek te behandelen en er actie rond te ondernemen

Onvervreemdbaar – Iets dat niet mag weggenomen of verwijderd worden van iemand

Jurisdictie – Het territorium of domein waarover een rechtbank de bevoegdheid heeft om de naleving van de wetten af te dwingen

Rechtsstaat – Het concept dat wettelijke documenten zoals de grondwet, nationale wetgeving, een gerechtelijk systeem en internationale akkoorden bepalen hoe een staat zich gedraagt ten overstaan van haar burgers. Het houdt een democratisch systeem in om mechanismen in te stellen voor gerechtelijke beslissingen.

Tijdlijn

1945 - Einde van de Tweede Wereldoorlog; Europa ziet zich voor de taak geplaatst te herstellen van massale vernietiging, geweld en beroering.

1949 - De Raad van Europa wordt opgericht

1952 - De Europese Gemeenschap van Kolen en Staal wordt gesticht (deze wordt later de Europese Unie)

1953 - Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden wordt van kracht, en het Europees Hof van de Rechten van de Mens wordt ingesteld

1961 - Het Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa wordt van kracht, alsook het toezichtorgaan ervan, het Europees Comité van Sociale Rechten

1975 - Door het Slotakkoord van Helsinki wordt de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa gecreëerd

1989 - Val van de Berlijnse Muur. Met de val van de Communistische regimes en het uiteenvallen van de Sovjetunie begint het lidmaatschap van de Raad van Europa uit te groeien naar Centraal en Oost Europa en Centraal Azië.

1993 - Met de ratificatie van het Verdrag over de Europese Unie komt de Europese Unie in de plaats van de Europese Economische Gemeenschap

1994 - De Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa wordt nu Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) genoemd

1997 - De Raad van Europa stelt de functie in van Commissaris voor de Mensenrechten

1998 - Het Kaderverdrag voor de Bescherming van Nationale Minderheden, het eerste bindend verdrag in het international recht dat specifiek aan nationale minderheden bescherming biedt, wordt van kracht

1999 - De Europese Unie schrijft het ontwerp van het Europese Unie Handvest van Fundamentele Rechten

De oorspronkelijke (Engelstalige) versie van deze tekst werd samengesteld door Elizabeth Strenio. Vertaling: VORMEN.

Copyright © Human Rights Education Associates (HREA), 2003. Alle rechten voorbehouden.

Publikaties